1. Ik was kortademig zonder dat ik mij inspande. 2. Ik voelde mij vertraagd of langzaam. 3. Ik was ontevreden. 4. Ik werd angstig in een menigte van mensen. 5. Ik had hartkloppingen. 6. Ik had moeite met het nemen van beslissingen. 7. Ik kon nergens van genieten. 8. Ik durfde open ruimtes, zoals een plein, niet over te steken. 9. Ik voelde stress op mijn werk of studie. 10. Ik had onenigheid met anderen. 11. Ik voelde pijn of druk op de borst. 12. Ik zag naar dingen uit. 13. Ik dacht aan mijn dood of zelfmoord. 14. Ik durfde niet alleen met het openbaar vervoer te reizen. 15. Mijn werk of studie gaf me geen voldoening. 16. Ik was opvliegend zonder aanleiding. 17. Ik voelde mij duizelig of licht in het hoofd. 18. Ik had zin om dingen te doen. 19. Ik had geen zin in het leven. 20. Ik had het gevoel dat ik teveel werkte of studeerde. 21. Ik had moeite om mijn woede te beheersen. 22. Ik voelde tintelingen, bijvoorbeeld in mijn handen. 23. Ik kon moeilijk voor mijn mening uitkomen. 24. Ik was bang of angstig. 25. Ik durfde niet alleen naar een drukke winkel te gaan. 26. Ik trilde of beefde. 27. Ik was bang om afgewezen te worden in een groep. 28. Ik was schrikachtig. 29. Ik was optimistisch over mijn toekomst. 30. Ik werkte of studeerde minder hard dan voorheen. 31. Ik voelde mij rillerig. 32. Ik voelde mij de mindere van anderen. 33. Ik was zenuwachtig en nerveus. 34. Ik had plannen of stelde mezelf doelen. 35. Ik had het gevoel dat het niet goed ging met mijn werk/studie. 36. Ik voelde mij ongemakkelijk als anderen naar mij keken. 37. Ik had interesse in dingen. 38. Ik voelde mij hopeloos. 39. Ik was vergeetachtig. 40. Ik voelde mij somber of depressief. 41. Ik voelde mij onrustig. 42. Ik voelde me energiek en levenslustig. 43. Ik wilde mensen het liefst slaan als dat werd uitgelokt. 44. Ik had moeite om op gang te komen. 45. Ik voelde mij onzeker in gezelschap. 46. Ik voelde mij gespannen. 47. Ik kon mij niet goed concentreren. 48. Ik piekerde.